Welkom bij de Director's Cut: Mijn ongecensureerde ode aan de Opex! 🎬
- 21 mrt
- 9 minuten om te lezen
Hoi lieve bloglezers!
Hebben jullie het toevallig zien passeren vorige maand? Op 22 februari stond deze meid gewoon te blinken in Het Laatste Nieuws! Ik mocht er een stukje schrijven over 'mijn' Oostende en in het bijzonder over de plek waar mijn wortels liggen: de Vuurtorenwijk, beter bekend als den Opex.
Supertrots natuurlijk! Maar ja, jullie kennen mij en mijn hyperactieve brein intussen wel een beetje
... Ik had véél meer woorden en herinneringen geproduceerd dan er fysiek op zo'n krantenpagina pasten. De redactie moest dus noodgedwongen flink met de rode pen aan de slag om mijn wilde zee-verhalen in te korten. Logisch, want een krant heeft limieten.
Maar weet je wie géén limieten heeft? Deze blog! 😁
Dus, voor iedereen die de krant gemist heeft, of voor wie gewoon hield van het voorproefje en nu het échte, volledige verhaal wil lezen: buckle up. Hieronder vind je de 'Director's Cut'. Geen geschrapte scènes, geen ingekorte anekdotes, maar de volle 100% Chari-ervaring over opgroeien tussen het zilt, de magie van Hair Baloo en de rebelse rit naar wie ik nu ben.
Veel leesplezier! ❤️
De zee zit in haar stem, de wind in haar woorden. De Oostendse Chari De Leeuw (40) is een rebel eerste klas, gevormd door een stad die nooit helemaal stilvalt. In Oostende, waar rauwheid en warmte hand in hand gaan, leerde ze al vroeg dat je je eigen koers moet varen.
Met het motto van Pippi Langkous – ‘Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan’, vocht ze zich door pestgedrag, werd ze criminologe en vond ze haar ademruimte in het schrijven. Haar blog A day in the life of Zali en haar debuutroman Tweestrijd zijn daar tastbare resultaten van.
Maar boven alles is De Leeuw een kind van de zee. Ze groeide op in de Vuurtorenwijk, beter bekend als ‘den Opex’, een buurt waar verhalen niet worden verzonnen maar geleefd. Daar, onder de

beschermende vinnen van haar moeder, die lokaal bekendstond als: ‘Jo de coiffeuse’, wortelde de inspiratie die vandaag nog steeds door haar werk stroomt, ook in haar tweede roman die hopelijk dit jaar verschijnt.
Dit is mijn buurt
Om de ziel van de Opex te begrijpen, moet je de geschiedenis kennen. Het was niet zomaar een wijk, het was een noodzaak. Toen de vismijn naar de oostkant verhuisde, volgden de vissers hun schepen. Zo ontstond een unieke enclave van zilt en zweet met de typische vissershuisjes.
Vroeger was de wijk een eiland op zich. ‘Naar stad gaan’ was een wereldreis, dus zorgde ‘de Opex’ voor zichzelf. Dat verklaart waarom er in mijn kindertijd op elke hoek leven was: bakkers, beenhouwers en natuurlijk kapperszaken – zoals de zaak van mijn mama Hair Baloo. Het was dat ‘dorp-in-de-stad-gevoel’ dat zorgde voor de onbreekbare solidariteit.
Grappig genoeg weten weinigen nog waar onze geuzennaam vandaan komt. ‘Opex’ klinkt volks, maar is eigenlijk chique projectontwikkelaarstaal voor Ostende Phare et Extension. Een dure naam voor een buurt die rijk was aan iets wat je niet met geld kunt kopen: verbondenheid. Weinigen weten dat delen van onze wijk, en zeker onze speelplekken zoals 'De Bolle', vroeger stortplaatsen waren of opgehoogd werden met alles wat de stad kwijt wilde.
Waar anderen een vuilnisbelt zagen, zagen wij – de kinderen van de Opex – een paradijs. Tussen het puin en het hoogtij van de distels bouwden we onze forten. Het was vies, het was gevaarlijk en het was de beste leerschool voor het leven. Misschien is daar mijn rebelse aard wel geboren: als je schoonheid en avontuur kunt vinden op een stort, kun je overal overleven. De Opex leerde ons dat goud vaak bedekt is met een laagje stof.
Nu de kleine winkeltjes plaatsmaken voor woonhuizen en de vissersvloot krimpt, verandert het straatbeeld. Wie goed kijkt, ziet achter de nieuwe gevels nog steeds de contouren van het stoere vissersdorp van weleer.
Mijn favoriete plekje
Vraag me naar mijn favoriete plek en het logische antwoord zou zijn: het strand, de dijk en de zee. Toch ligt het voor mij anders. Mijn echte ‘thuis’ was de kapperszaak van mijn mama: Hair Baloo.
Voor een toekomstig auteur was dat een goudmijn, een schatkist vol ongezouten verhalen. Mama zei vaak: ‘Mensen gaan naar de kapper om zich beter te voelen. Enerzijds door hun kapsel, anderzijds om hun hart te luchten’. Haar zaak had een simpel, krachtig doel: Het samenbrengen van verschillende generaties. Mama ademde de buurt.
Sommige van die verhalen die daar over de toonbank rolden, staan in mijn geheugen gegrift. Zoals de rebelse meisjes die vroeger de nonnen ontglipten om stiekem naakt te gaan zwemmen in zee. Of het bewijs dat liefde geen vervaldatum heeft, toen een klantje op haar tachtigste een nieuwe vlam vond. Natuurlijk waren er ook de ongemakkelijke momenten. Zo verloor mama ooit een trouwe klant omdat zij en de minnares van haar man – buiten mama’s weten om – op exact hetzelfde uur een afspraak hadden.
Bovenal was er de verbondenheid. Toen koning Boudewijn stierf, liet mama mijn vader een tv midden in de zaak installeren zodat iedereen samen naar de uitvaart kon kijken. Die dag eindigde niet in mineur, maar met een glas wijn voor iedereen om het leven te vieren. Dat was mijn moeder, en dat is de ziel van den ‘Opex’. Hair Baloo is intussen verdwenen, toch leeft de herinnering verder in de muren. Als je goed luistert, hoor je nog steeds de fluisteringen van het verleden. Het is de ziel van de buurt die nooit helemaal zwijgt.
Mijn favoriete wandelroute
Bij de vraag naar mijn favoriete wandelroute verschijnt er onwillekeurig een grijns op mijn gezicht. Laat ons eerlijk zijn: wandelen zit niet in mijn DNA. Tenzij er winkels bij betrokken zijn. Mijn hiking trail is geen bospad, maar de route van de etalages naar het terras. Voor mijn mama en mij was die tocht heilig: shoppen stond gelijk aan quality time, steevast afgesloten met een goed glas wijn liefst op een zonovergoten terras – alhoewel dat geen voorwaarde was.
Toch kijk ik tijdens die shop-sessies graag omhoog. Wie door het centrum van Oostende wandelt, loopt eigenlijk door een geschiedenisboek vol littekens en grootheidswaan. Het stratenplan zoals we dat nu kennen, is grotendeels de erfenis van Koning Leopold II. Hij wilde van ons rauwe vissersstadje een 'Klein Parijs' maken. Hele middeleeuwse wijken werden zonder pardon platgewalst om plaats te maken voor brede boulevards en statige panden. De stad moest ‘ademen’ voor de beau monde.
Wat bijna niemand weet terwijl ze door de bekende winkelstraten slenteren, is dat ze eigenlijk over water lopen. Vroeger was Oostende dooraderd met vlieten en kanaaltjes. De huidige Adolf Buylstraat – nu het hart van de shopping – was vroeger een open waterweg. Waar we nu schoenen passen en koffie drinken, voeren vroeger platbodems met goederen. De stad is letterlijk dichtgeslibd en dichtgebouwd, maar als je het weet, voel je bijna deining onder de kasseien. Oostende is en blijft water, zelfs waar je het niet ziet.
Mijn mooiste moment
Vraag me naar mijn mooiste moment en ik twijfel. Eigenlijk hebben alle momenten, hoe donker ook, mij gevormd tot wie ik ben. De dag dat ik afstudeerde als criminologe of de dag dat mijn debuutroman uitgegeven werd.
Al deze momenten zouden er niet zijn geweest als ik niet terugga naar het begin, naar die eerste schooldag op het Sint-Jozefinstituut. Misschien was het geen toeval dat ik daar mijn soulmate vond. We liepen immers op grond met geschiedenis.
Waar vroeger de Kapucijnen in stilte schuifelden en later soldaten de boel op stelten zetten, vonden wij elkaar. De muren van Sint-Jozef hebben altijd al mensen opgevangen die hun eigen weg zochten in de chaos van de stad. Maandag een september negentienzevenennegentig. Mijn droom was simpel: een plekje vinden in een wereld die me vaak niet begreep. Een eigen ‘Chari-wereld’ vol regenbogen en eenhoorns, ver weg van het pestgedrag dat ik kende. Met een klein hartje zat ik veel te vroeg op een bankje op de speelplaats. De angst gierde door mijn lijf: zou het hier opnieuw beginnen?
Maar wat ik vreesde, kwam niet. In plaats daarvan kwam er een klein, blond, sportief meisje met blauwe knikkers van ogen naast me zitten. Geen schunnige opmerkingen, maar een glimlach. Ze heette Stefanie Lisabeth en ze vroeg simpelweg of we in dezelfde klas zaten.
Vanaf die dag waren we onafscheidelijk. Zij vond me niet raar, maar vrolijk en grappig. Bij haar mocht ik zijn wie ik was: een kind van de zee, gemaakt van sterrenstof en helium. Dat besef was mijn echte mooiste moment: weten dat Nobody is me, and that’s my superpower.
Mijn minst leuke herinnering
Mijn minst leuke herinnering? Daar kan ik heel kort over zijn: de volledige periode in het lager onderwijs in de Dr. Edouard Moreauxschool. Het is eigenlijk pure ironie.
De school draagt de naam van de burgemeester die Oostende na de Tweede Wereldoorlog uit het puin hielp en zorgde voor de wederopbouw van onze stad. Een man die symbool stond voor herstel en groei. Maar voor het kleine meisje dat ik toen was, betekende die plek het tegenovergestelde.
Waar Moreaux bouwde, werd mijn zelfvertrouwen daar steen voor steen afgebroken. Het is de enige plek in mijn geliefde Opex waar ik met een zware maag aan terugdenk.
Mijn favoriete winkeltje
Als kind dacht ik dat het buurtwinkeltje van ‘Vontje en Berten’ het eeuwige leven had. Dat was de plek waar ik met oma mijn wekelijkse zakje chips scoorde, terwijl zij er met een vastberaden blik Marseillezeep insloeg.
Die zeep was haar geheime wapen in de strijd tegen de indringende aroma's van opa: een stevige mix van zilte Noordzee en een iets te enthousiaste walm van 't zeetje (of de lokale kroeg). Wanneer opa weer eens een glaasje te veel op had en zijn verhalen iets te luidruchtig werden, rolde oma zo hard met haar ogen dat ik dacht dat ze vast zouden blijven zitten. Ze greep me dan bij mijn arm en zeulde me vastberaden mee naar het winkeltje, mompelend dat er geen enkele hoeveelheid zeep ter wereld bestond die de geur van 'een pintje te veel' uit zijn visserstrui kreeg.
Toch was juist daar de typische solidariteit van den Opex voelbaar, voor iedereen die geroepen was door het zilt en het zout. Als dochter van 'de coiffeuze' en kleinkind van een visser viel er voor mij altijd wel een gratis snoepje of een reep chocolade te rapen. Die warme verbondenheid leeft vandaag de dag nog steeds door in de diversiteit van de wijk, al is de sfeer veranderd. Waar vroeger iedereen elkaar kende en de handel bloeide, is het nu vooral een rustige woonwijk geworden.
Mijn favoriete café en restaurant
Mijn favoriete adresjes? Daarvoor moet ik eigenlijk in een tijdmachine stappen, terug naar de gloriedagen van de Modo.
We vertoefden in het kloppende hart van de stad, in de buurt rond de Van Iseghemlaan die vroeger niet voor niets ‘Petit Paris’ of de ‘Boulevard van de 1000 lichten’ werd genoemd. Oostende is altijd een stad van vertier en tolerantie geweest, en nergens voelde je dat harder dan daar.
Onze avonden begonnen met een diner, om daarna met mama – en soms papa – de nacht in te duiken. Richting de homobars. Die nachten waren legendarisch: een explosie van glitter, glamour en absolute vrijheid. Het was de enige plek waar je kon zijn wie je wilde, zonder oordeel. The time of my life, met dank aan de kleurrijke figuren van toen, en in het bijzonder Luc Degroote – mijn ‘weekendpapa’. (Maar dat is een verhaal voor een andere keer!).
Vandaag zoek ik diezelfde warmte op in ’t Teugsje of Het Waterhuis. Niet toevallig, want vaak kom ik er de mensen van toen weer tegen achter de toog of in de zaal. De 1000 lichten schijnen misschien anders nu, maar de ziel en de gezelligheid zijn gebleven. Ik ga niet voor de stenen, ik ga voor de mensen.
Hier kom ik tot trust
Rust? Wat is dat? Dat is een begrip die niet in het grote Chari-De-Leeuw-woordenboek staat. Mijn man zegt het me al te vaak. Vertraag even. Doe het wat kalmer aan. Telkens opnieuw beloof ik dat hem ook. Deze keer hou ik me eraan … om dan te vervallen in oude gewoontes, behalve in de bibliotheek. Als schrijfster kan ik natuurlijk niet om de bibliotheek heen. Voor mij zijn dat geen gebouwen met papier, maar tempels van verbeelding.
Mijn hart ligt in twee werelden. Enerzijds is er de bibliotheek in het centrum, vlak bij waar we vroeger gingen zwemmen. Weinigen staan erbij stil, maar onze stadsbib draagt de naam van Kris Lambert. Geen grijze politicus, maar een Oostends literair wonderkind dat De Oestereetster schreef en tragisch genoeg op zijn eenentwintigste overleed. Dat onze bib naar een jonge dromer is vernoemd, vind ik als auteur prachtig.
Anderzijds is er de bib op 'mijn' Opex, in De Schelpe. Die plek is het ultieme bewijs van ons eiland-karakter. Omdat de bruggen vroeger letterlijk en figuurlijk een drempel vormden, zorgde de wijk voor haar eigen boeken. Het is meer dan een bib; het is de huiskamer van de buurt. In het centrum vind je de grote collectie, maar op de Opex vind je de ziel van de lezer.
Dit kan beter in mijn gemeente
Wel, het begin is er al: er waait eindelijk een frisse wind door het stadhuis. Met John Crombez zit de juiste man op de juiste plaats. Hij is, net als ik, een kind van de zee en een man van het volk. Iemand die onze taal spreekt – en ik weet uit ervaring dat hij niet alleen hoort, maar ook echt luistert.
Zijn grootste uitdaging – en mijn diepste wens – is om de ziel van de Opex te reanimeren. Onze buurt is langzaam veranderd in een stille woonwijk, een slaapplaats voor forenzen. Ik mis het rumoer van vroeger. Ik mis de tijd dat je voor je boodschappen de wijk niet uit hoefde en onderweg vijf praatjes maakte.
Laten we de lokale handelaars terug naar de Vuurtorenwijk halen. Geef jonge ondernemers en creatievelingen de kans om hier, net als mijn mama vroeger, een zaak te starten die mensen verbindt. Misschien een wekelijks marktje op het plein? De stenen liggen er al, nu de bruisende gemeenschap nog. Ik heb er alle vertrouwen in dat John de kapitein is die ons schip de juiste richting uitstuurt, terug naar de glorie van het visserskwartier.



.png)
Opmerkingen